Reactie op Etienne Vermeersch over identiteit

 in Nr 164
van De Groene Belg, zie Mediadoc
 
 
Wat Etienne Vermeersch schrijft verwondert. Jaren geleden zei hij het anders, o.a. in “ De ogen van de panda “. Daarin vertrok hij van de hypothese dat het “  Samaritaanse “  naastebegrip reeds wordt aanvaard en dat de houding van  medemenselijkheid  aanwezig is tegenover alle actuele menselijke wezens  die lijden en geluk  kunnen ervaren, tot welk volk of ras ze ook  behoren.” We lezen ook “ dat de  liefde tot de mens, tot de ‘nabije’ en  de ‘verre’ naaste, de grondslag vormt  van de ethische benadering, “  die hij voorstaat.    Vandaag schrijft Vermeersch  :“ Hoewel alle mensen  biologisch gezien grosso modo gelijk zijn blijkt  het moeilijk om zich bij een  eerste benadering als lid van de totale  mensheid te voelen?” Heeft de  auteur zijn mening  veranderd.
Vermeersch gaat terug in de geschiedenis en  stelt vast dat  de idee vaderland reeds vroeg aanwezig was, maar dat er zich  een  evolutie voordeed in de criteria waarop nationale samenhorigheid baseerde.    Eugen Lemberg noemde ze “ Kriterien für Grossgruppenbildung.” Na  de  dynastische, kwamen de religieuze en vervolgens de linguïstische  criteria aan  bod.  Eerst werden mensen verbonden met vorstelijke  dynastieën, daarna  waren met religies, vervolgens wmet  taal en  cultuur ( volgens Ernest  Gellner ). Mensen stierven en doodden voor  vorsten, religies en linguïstische  natiestaten. In het artikel van  Vermeersch lezen we: “ Wat ook het reële  uitgangspunt moge zijn, van  zodra een voldoende aantal mensen zich als natie  ervaart, wil men met  een arsenaal van middelen de specificiteit ervan aantonen  om de leden   tot identificatie en engagement te motiveren. Verwijzingen  naar  gemeenschappelijke geschiedenis, eenheid van cultuur, solidariteit van   belangen en samen geleden onrecht worden dan met vlijt gezocht, ontdekt  en  eventueel gefabriceerd.” Hoe dit alles leidde tot massale  slachtpartijen wordt  niet gezegd. De grote oorlogen waren, na de  vervanging van de huurlegers door  volkslegers, vooral oorlogen tussen  natiestaten, niet tussen rassen of   ideologieën.

Het opperste criterium
Het  probleem is niet dat  mensen zich met andere mensen verbinden en  verbonden voelen, dat zij zich  verenigen op basis van verschillende  waardebelevingen en voorkeuren, dat zij  verschillende criteria voor  samenhorigheid en groepsvorming hanteren, het  probleem ontstaat wanneer  ze gedreven door politieke en culturele leiders één  criterium gaan  verkiezen boven alle andere, en dit verheffen tot opperste  criterium  waarvoor alle andere moeten wijken, ook het criterium solidariteit  met  de “ nabije “ en “ verre “ medemensen vervat in de idee van het   Samaritaanse naastebegrip. In dit geval wordt het religieuze, nationale  of  linguïstische criterium  zo opgetild, zo extreem verheven, dat  daaruit  afgeleid wordt dat zij die niet aan het criterium beantwoorden  andere mensen  zijn, een andere identiteit hebben, anders mogen behandeld  worden, eventueel  geen of minder rechten hebben, mogen vervolgd en  uitgeschakeld worden. De  excessen zijn bekend.
Vandaag willen  sommigen minder sociale rechten  gunnen aan inwijkelingen en allochtonen.  Anderen treffen maatregelen alleen  ten gunste van Vlamingen ( De Vlaamse  zorgverzekering, de job-korting, toegang  tot woningen en bouwgronden…  ). Frantaligen weigeren in te gaan op Vlaamse  eisen en komen agressief  over. Het taalnationalisme kan leiden tot de  opsplitsing van de Sociale  Zekerheid en de interpersonele solidariteit ( die  alle partijen en  vakbonden samen hebben opgebouwd ), alsook tot de uitholling  en  vernietiging van de federale democratie en de vervanging ervan door een   ondemocratische diplomatieke besluitvorming tussen executieven, waarbij  de  parlementen minder of niet meer te pas komen. Sommigen beweren de  splitsing te  willen in “ het belang van Wallonië.”
Een andere definitie van nationalisme.
Het volstaat niet de nationale eigenheid, de   liefde voor het eigen volk en het nationalisme historisch en   sociaal-psychologisch te beschrijven en te verklaren. Men moet ook  zeggen dat  vaderlandsliefde en nationalisme het collectieve egoïsme  vergoelijken.  Individueel egoïsme is verwerpelijk, collectief egoïsme is  normaal en gezond.   
Tegenover de definitie van Ernest  Gellner ( 1983 ) volgens wie  nationalisme in essentie bestond uit het  streven taal- ( en cultuur-) grenzen  te laten samen vallen met  staatgrenzen ( waarvoor veel bloed vloeide ) stel ik  mijn iets bredere  omschrijving ( Belgen op de tweesprong 1964 ) “ Nationalisme  is een vorm  van politieke bedrijvigheid waarvan de subjecten als groep door   objectieve kenmerken herkenbaar en/of geografisch lokaliseerbaar zijn en   waarvan de objecten door hun wezen of voorstellingswijze alleen waarden   inhouden voor de betrokken subjecten. “
De uitbreiding van Brussel,  de  afschaffing van de faciliteiten, de niet-benoeming van de drie  burgemeesters,  de splitsing van de SZ zijn voorbeelden van objecten die  alleen voor één  partij waardevol zijn.  Nationalisme staat  tegenover universalisme. De  universalist poogt met zijn ideeën bij  niemand agressief over te komen. De   nationalist wil alleen de  eigen mensen welgevallig te  zijn.

Fasen in het nationalie   denken
Het is tijd na te  denken  over de verschillende fasen die nationalisme kan doormaken. Er  zijn vormen van  onschuldige liefde voor het vertrouwde, voor eigen taal  en cultuur. Er is   het zogenaamde gezonde nationalisme.  Dit  kan echter vlug omslaan  in ongezond politiek nationalisme, o.a. wanneer  leiders behoefte hebben aan  externe vijanden om de rangen te sluiten,  als andere nationalismen uitdagen en  représailles gewettigd zijn, als  leiders zich zo machtig voelen dat ze zich  agressiviteit kunnen  veroorloven. Die omslag is gemakkelijk omdat in de fase  van het  niet-politieke nationalisme het voorbereidende werk geleverd werd. In   deze softe, niet agressieve fase, worden in elke geval de “ wij’s” reeds   onderscheiden van de “ zij’s “, wat agressief kan overkomen, het andere  van  het eigene. De ideeën nationale identiteit, nationale eigenheid,   eigenstandigheid, eigen leiders, eigen wetten, eigen regering, eigen  macht,  eigen externe politiek, eigen concurrentiebeleid, eigen leger  liggen  verleidelijk in elkaars verlengde. Populisten hebben het moeilijk  moeilijk ze  uitspelen, vooral wanneer de “ anderen “ extern  lokaliseerbaar en intern  herkenbaar zijn. Populisten worden gediend door  de volgzaamheid van de massa  en het simplisme van het voorgehouden  criterium. In ons land worden ze ook  gediend door de in  staatshervormingen geïnstitutionaliseerde tweeledigheid van  het land.  Bepaalde gevolgen van deze institutionalisering zijn redenen en   voorwendsels om verder te gaan in de richting van de confederalisering  en het  verbreken van de interpersonele democratische solidariteit zo  verbonden met de  universele medemenselijkheid en het “ Samaritaans  naasstebegrip”.
Vele  mensen mogen zich nationaal, regionaal,  geografisch of anders identificeren en  nu en dan nationalist zijn, maar  er moeten eveneens voldoende mensen zijn die  consequent internationaal  en bovennationaal willen denken en ageren. Voor  België, Europa, de  wereld , de vrede en de democratische samenwerking zijn  deze mensen  onontbeerlijk.
Ludo Dierickx,
Auteur van
Belgen op de tweesprong,
De Groene idee, mens en natie
en
Nationalisme  onder  het mes