La Botte de Hainaut

Ik heb de voorbije dagen bewust de ‘open ruimte’ opgezocht. Even weg van de Vlaamse politiek en de dito zorgen. In vond die ruimte in wat minder bekende streken van Henegouwen en Noord-Frankrijk. La Botte de Hainaut, l’Avesnois en de Franse Ardennen zijn aaneensluitende streken die het verkennen meer dan waard zijn.
Je moet natuurlijk die afwisseling van bossen, weiden velden en meren, in een heuvelend landschap (tot 300 meter) kunnen waarderen. Mijn schoonmoeder vindt het maar niks, veel te stil, te saai en geen winkels.
Ik houd van de glooiende heuvelruggen, met bloeiende meidoornhagen die dezer dagen als witte linten het landschap doorsnijden Ik houd van de zang van de zwartkop, de biddende leeuweriken, de fitis, de duikende sperwers, de schichtige herten. Ik houd van de bloeiende wegkanten en weiden. Ik houd van die kleine hotels aldaar, 5 tot 10 kamers, familiaal uitgebaat, betaalbaar en gezellig. Ik houd van de vele heuvels, de klimmetjes van een paar honderd meter tot een paar kilometer waar je je fietsbenen goed op kan trainen. Ik houd van de Franse joie de vivre, het leven als God in Frankrijk, de (schijnbare?) zorgeloosheid die van het leven afdruipt.
En toch is er in die streken een stevige landbouwactiviteit, is er industrie en leven er mensen. Ze slagen er in de verschillende noden van de landbouw, de industrie, wonen, recreatie en de natuur  evenwichtig te mixen, zonder dat de ene functie onevenredig beslag legt op de andere. In ieder geval is er veel zorg voor de open ruimte.
Je merkt het zo goed als je, zoals ik, van ginds naar huis fietst. De fiets is een traag vervoermiddel dat je gelegenheid genoeg biedt om de veranderende omgeving te observeren.  De route van 180 kilometer is bijzonder aangenaam tot je de grens met België overschrijdt. Eenmaal in het vaderland aangekomen, sta je versteld van de onverkwikkelijke ruimtelijke ordening, de schade aan het landschap, de verarmde biodiversiteit. De omgeving van Quiévrain is nog lelijker dan het Kortrijkse. De zuidkant van Henegouwen worstelt nog steeds met haar industrieel verleden. Het zuiden van West-Vlaanderen dan, ook al geen toonbeeld van voorbeeldige omgang met de ruimte, integendeel. Ter vergoelijking, we leven hier wel met veel meer mensen op een vierkante kilometer. Maar toch.
En dan zijn er nog een aantal collega’s uit West-Vlaanderen die van onze provincie een logistieke poort willen maken, een netwerk van wegen voor de doorvoer van containers en bulk, van noord naar zuid, van oost naar west, en omgekeerd. Dat vereist natuurlijk nieuwe infrastructuur: nieuwe wegen, uitbreiding van de havens, nieuwe logistieke zones, containerterminals enz. We moeten dringend discussiëren over een nieuw evenwicht en een visie op onze provincie. Wat willen we? Welke soort industrie? Innovatie of tonnage? Wat met onze landbouw? Krijgt de natuur een echte kans? Of liever, wat betekent levenskwaliteit hier?
Ik houd van het ritme van de seizoenen: de eerste boerenzwaluw (in Kortrijk gezien op 2 april), de bloei van de kerselaar … Ik wacht elke dag op de eerste roepende koekoek – nog niet gehoord dit jaar. Straks het bloeiende fluitenkruid, dat de wegbermen wit kleurt. En dat is een signaal. Want dan, dan komen de festivals er aan. Eerst Labadoux, Dranouter aan Zee, Humorologie enz.